Tia
mannelijk (de)/ˈtija/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) tijdelijk optredende verschijnselen van een beroerte door een korte onderbreking van de bloedtoevoer naar de hersenenToen de hond een paar uur later opeens begon om te vallen dacht Monique dat hij een TIA had of iets dergelijks. „Het leek wel of hij een fles wodka op had”, zegt ze.Of hebben zijn gezondheidsproblemen, onder meer een TIA, in de tijd dat Vinckx haar boek schreef, haar parten gespeeld?
Etymologie
*van "TIA", geschreven met hoofdletters volgens onder (b) (1); soms opgevat als (letterwoord) van tijdelijke ischemische aanval[https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011019469:mpeg21:a0208 "Voorlichting kan veel gevallen voorkomen. Beroerte moet uit schaduw van kanker en hartziekten" in: Nieuwsblad van het Noorden jrg. 103 nr. 256 (30 oktober 1990)]; p. 13 kol. 5; geraadpleegd 2019-10-12
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek