Tapijtschelp

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tweekleppigen (tweekleppigen) weekdier met een vrij dikschalige, wat rechthoekige schelp dat in de Waddenzee en voor de Belgische kust leeft,
    De top van de tapijtschelp ligt ver naast het midden en de buitenkant van de schelp heeft een duidelijke traliewerkstructuur.

Vertalingen

Engelspullet carpet shell
Franspalourde bleue, palourde-poulette