Tamboer

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘trommelaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642

Vertalingen

Engelsdrummer
Franstambour
Spaanstambor