Stork

mannelijk (de)/ˈstɔrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ooievaarachtigen (ooievaarachtigen) bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten en dito snavel,
    Aan het einde van de zomer vliegen de storken naar Afrika om er te overwinteren.

Etymologie

-mogelijk : τόργος «gier, zwaan»