Steg
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) (Drente) smalle weg, voetpad
- (West-Friesland) smal bruggetje, slootplank, vlonder
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands stech ‘vonder’, ontwikkeld uit Westgermaans *stiga-, afleiding van het ww. *stīgan-; waarvoor zie stijgen. Evenzo Nederduits Steg ‘slootplank; kam (snaarinstrument)’ en Duits Steg ‘plank, vonder’.
Uitdrukkingen
- heg noch steg weten — ergens de omgeving totaal niet kennen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek