Spouwen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (verouderd) in lengterichting verdelen, splitsen, splijtenWordende ten dien eijnde de gemelte vrijeln, ende oock allen anderen, wie het soude mogen wesen voornamentlijck wel expresselijck mede gelast haere geesels (sommige van gespouwen rottangen, ende ander van touwe met cnoppen aen de eijnde gemaeckt) wegh te doen op peune van 6 realen boeten daersse na de affcundige deses door den fiscus in ijmants huijs sullen bevonden worden.Actum in't Fort de Goede Hoope, Adij 6en Augustij, Ao 1658. Was geteijckent, Jan van Riebeeck
- (verouderd) spuwen
Etymologie
* In de betekenis van ‘kloven’ voor het eerst aangetroffen in 1407 (1)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek