Spier
mannelijk/vrouwelijk (de)/spir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een orgaan dat door elektrische signalen gestuurd kan samentrekkenHet opbouwen van de spieren door middel van gewichtstraining is een populaire sport.
- (scheepvaart) een algemene benaming voor een ronde, houten paal op een schipDeze spier is nog wel bruikbaar een mastje voor de bijboot.
- lange, dunne boomstam (van een spar)
- (waterbeheer) weke vette klei (in Zeeland) met blauw-grijze kleur
Etymologie
* In de betekenis van ‘lichaamsweefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1621
Vertalingen
Engelsmuscle, spar
Fransmuscle, espar, mâtereau
DuitsMuskel, Spiere
Spaansmúsculo
Italiaansmuscolo
Japans筋肉
Poolsmięsień
Zweedsmuskel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek