Spier

mannelijk/vrouwelijk (de)/spir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) een orgaan dat door elektrische signalen gestuurd kan samentrekken
    Het opbouwen van de spieren door middel van gewichtstraining is een populaire sport.
  2. scheepvaart (scheepvaart) een algemene benaming voor een ronde, houten paal op een schip
    Deze spier is nog wel bruikbaar een mastje voor de bijboot.
  3. lange, dunne boomstam (van een spar)
  4. waterbeheer (waterbeheer) weke vette klei (in Zeeland) met blauw-grijze kleur

Etymologie

* In de betekenis van ‘lichaamsweefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1621

Vertalingen

Engelsmuscle, spar
Fransmuscle, espar, mâtereau
DuitsMuskel, Spiere
Spaansmúsculo
Italiaansmuscolo
Japans筋肉
Poolsmięsień
Zweedsmuskel