Soekot
/suˈkɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- Loofhuttenfeest, op 15-21 tisjri, ter herdenking van de tocht door de woestijn, toen het volk in hutten leefde (Lev. 23:39-43)
Etymologie
*van (Soekot), letterlijk: 'hutten' (soekot)
Vertalingen
EngelsSuccoth, Sukkoth, Succot
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek