Snik

/snɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een geluid dat men voortbrengt bij verdriet of pijn
    Hij verried zijn verdriet met een enkele snik.
    Hij bleef dat tot zijn laatste snik verdedigen.
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, geschiedenis (scheepvaart) (geschiedenis) een historisch type zeilboot

Etymologie

#(verouderd) bijdehand, snugger; tegenwoordig alleen nog in de vaste uitdrukking niet goed ~ zijn ("niet goed bij zijn hoofd zijn")

Vertalingen

Engelshiccup
Spaanshipo, singulto, sollozo