Slinger

mannelijk (de)/ˈslɪŋər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het slingeren, de zwaai
    Toen was het mijn beurt en ik bond een steen aan een lang stuk touw, hield de grote lussen in mijn linkerhand, gaf een harde slinger en liet los.
  2. lang lint om opgehangen de feestvreugde te verhogen, guirlande
  3. slingerende lijn
  4. ouderwets hulpstuk (zwengel) waarmee de T-Ford in beweging werd gebracht (nu vervangen door de startmotor)
    De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
    Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
    Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
  5. wapen waarmee stenen weggeslingerd konden worden (nu vervangen door het machinegeweer)
  6. voorwerp dat regelmatig heen en weer gaat en waarvan de periodeduur praktisch onafhankelijk is van de amplitude, heel geschikt om een uurwerk van te bouwen

Vertalingen

Engelsgarland, wreath
Spaansbadajo, guirnalda, péndulo