Schepen

mannelijk (de)/ˈsxepə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) (België) lid van het dagelijks bestuur van een gemeente
  2. beroep, geschiedenis (beroep) (geschiedenis) vroegere rechtsambtenaar en bestuurder in steden en dorpen
werkwoord
  1. erga (erga) zich inschepen
    Wie met de Duivel gescheept is, moet met hem over. Jacob Cats
  2. ov (ov) inschepen, aan boord gaan, aan boord brengen
    Het vlees wordt niet ingevroren maar vacuüm verpakt en gekoeld gescheept.
  3. ov (ov) per schip vervoeren, verschepen
    ..ende dat dies niet jegenstaende verschieden perthien van terruwe ende rogge buiten de geunieerde provincien nae andere landen gescheept ende vervoert worden..decreet 29 nov 1628 Staten Generaal

Etymologie

*[B] : afgeleid van "schip" en een klinkerwisseling /ɪ/ - /e/

Uitdrukkingen

  • alle schepen achter je verbrandeneen onherroepelijke beslissing nemen zodat er geen weg terug meer is

Vertalingen

Engelsalderman
Franséchevin
DuitsBeigeordnete
Italiaansscabino