Roek
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) bepaalde soort kraaiachtige vogel,
Etymologie
* In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Vertalingen
Engelsrook
Franscorbeau freux, freux
DuitsSaatkrähe
Spaansgrajo
Poolsgawron
Deensråge
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek