Rijk

onzijdig (het)/rɛik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geopolitiek (geopolitiek) een staat of natie onder het gezag van een vorst of andere heerser
    Het rijk van Karel de Grote had geen hoofdstad.
    Alle deelnemers waren etnische Grieken of identificeerden zich als zodanig; er waren heel wat atleten bij afkomstig uit het Ottomaanse rijk.
  2. biologie (biologie) een taxon dat bestaat uit een of meer stammen en dat deel uitmaakt van een domein

Etymologie

#waardevol

Uitdrukkingen

  • De koning te rijk zijnHeel rijk zijn/Het heel erg goed hebben/Heel gelukkig zijn
  • Jezelf rijk rekenenDenken dat je in een gunstiger positie bent dan in feite het geval is
  • Wijd van huis is altijd rijkIemand die naar een ver oord reist, kan daar gemakkelijk onwaarheden over zichzelf vertellen en zichzelf ophemelen (aangezien diegene daar een volslagen vreemde is)
  • Van rijkswege

Vertalingen

Engelsrich, wealthy, empire
Fransriche, empire, règne
Duitsreich, Reich
Spaansrico, rica, riquísimo
Italiaansricco, ricca
Portugeesreino
Russischбогатый
Zweedsrik, rike
Deensrige