Riet
onzijdig (het)/rit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (syn.: Phragmites communis), plantensoort uit de grassenfamilie () met een stevige stengel die langs het water voorkomtHij ging vissen in het riet.
- (muziekinstrument) een uit bamboe vervaardigd onderdeel van een muziekinstrument uit de rietblazersHij was bezig rieten te snijden voor zijn schalmei.
Etymologie
* In de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- Iemand met een kluitje in het riet sturen — een antwoord krijgen waar men niets aan heeft ('een mooi praatje') [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_1212.phpv1192 Stoett-1192]
- rite
Vertalingen
Engelsreed, cane, reed
Fransjonc, anche
DuitsSchilf, Reet, Rohr
Spaanscaña, carrizo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek