Regenboog
mannelijk (de)/ˈreɣə(n)ˌbox/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien isHet uitzicht over het diepe dal was des te indrukwekkender omdat er een prachtige regenboog verscheen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘boog aan de hemel’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Vertalingen
Engelsrainbow
Fransarc-en-ciel
DuitsRegenbogen
Spaansarco iris
Italiaansarcobaleno, iride
Portugeesarco-íris
Russischрадуга
Japans虹
Koreaans무지개
Arabischقوس قزح
Turksgökkuşağı
Poolstęcza
Zweedsregnbåge
Deensregnbue
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek