Piet

mannelijk (de)/pit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. knecht van Sinterklaas, traditioneel zwart geschminkt met rode lippen en gouden oorringen
    Zwarte piet is plotseling een groot probleem geworden in de lage landen.
  2. vogel, kanariepiet
  3. luis
    Je hebt toch hopelijk geen pieten opgelopen hè?

Etymologie

* Leenwoord uit het Romani, in de betekenis van ‘luis’ voor het eerst aangetroffen in 1898