Patrijspoort

mannelijk/vrouwelijk (de)/paˈtrɛisport/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
    In de vertrekhal vreesde ik de sfeer van een pannenkoekenboot, met liedjes en wafels onderweg. Tot ik de Viking Grace zag. Nog nooit had ik zo’n groot schip gezien, twaalf dekken, 218 meter lang! Mijn kajuit had niet het piepgaatje van een patrijspoort, maar een groot raam om in stijl uit te kijken naar Åland, mijn koninkrijk. de Standaard 04 FEBRUARI 2017 An Olaerts
    Nachts wakker geworden met een droge mond nam hij een slok water, gooide het glas walgend uit de patrijspoort, waarna het in het ochtendlicht duidelijk werd dat het het kunstgebit van zijn kajuitgenoot bevat had, een politicus die in Indië toespraken moest houden. Volkskrant 22 november 2013

Etymologie

* In de betekenis van ‘raam op schip’ voor het eerst aangetroffen in 1863

Vertalingen

Engelsporthole
Franshublot
DuitsBullauge
Spaansventanilla