Parakleet
mannelijk (de)/paraˈklet/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (antropologie) heilig persoon die mensen uit onderdrukking zal reddenAl vóór de eeuwwisseling had Nederland een begin gemaakt met het terugtrekken van zijn investeringen. Dit leidde tot de afbraak van belangrijke voorzieningen, tot het ineenschrompelen van het bewoonde gebied en het ontstaan van een armoedecultuur. De roep ging uit naar een parakleet, een messias die redding zou moeten brengen. In Kross' visie werd het gehele staatsapparaat omgesmeed om als prothese te kunnen dienen, dus tot een kunstmatige constructie die mensen de suggestie zou moeten bieden dat zij uit hun cultuur van armoede verlost waren. Maar deze parakletische staat ontwikkelde zich tot een apparaat van belangengroepen dat in plaats van het afbraakproces te keren, dit juist stimuleerde.
- iemand die anderen troostIn het derde deel staan vier sonnetten die spreken over een man die de dichteres troostte in haar verdriet om de verloren geliefde. (…) Ik constateer slechts, dat de nieuwe figuur in de sonnetten van de Brusselse dichteres trekken heeft van de lyrische-ik uit de sonnetten van de Amsterdamse poëet. Dat zij zich in haar conceptie van de menselijke parakleet door zijn poëzie heeft laten leiden, lijkt mij onweerlegbaar.
Etymologie
*afgeleid van "Parakleet", de Heilige Geest in het christendom; gespeld met met een kleine letter volgens spellingregel 16.C en 16.S
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek