Noordpool

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈnortpol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) uiteinde van de aardas of de as van het aardmagnetisch veld op het noordelijk halfrond
    Een kompasnaald wijst met z'n zuidpool naar de magnetische noordpool van de aarde.
  2. natuurkunde, techniek (natuurkunde), (techniek) punt van een magneet waar de veldlijnen naar buiten komen
    Iedere magneet heeft een zuid- en een noordpool.
  3. natuurkunde, techniek (natuurkunde), (techniek) uiteinde van de as van een omwentelingslichaam, of van een elektrische geleider, dat door het hulpmiddel van de zg. “rechterhandregel” als noordpool wordt aangewezen
    De magnetische noordpool van de aarde valt niet precies samen met de geografische.

Vertalingen

Engelsnorth pole
Franspôle nord
DuitsNordpol
Spaanspolo norte