Noorden

onzijdig (het)/ˈnordə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. windstreek (windstreek) een van de windstreek, die op landkaarten overeenkomt met de bovenkant
    Het leven was heerlijk overzichtelijk, ik wist precies wat ik elke dag moest doen: opstaan, eten en de trail naar het noorden volgen.
    Zo zou hij naar het noorden zijn getrokken om zich bij de republikeinen aan te sluiten toen Franco's troepen vanuit het zuiden oprukten.
  2. gebied dat aan de noordkant van iets ligt
    Gedurende het dappere maar zinloze verzet brachten ze drie Duitse kruisers en meerdere torpedojagers tot zinken, vooral in het noorden leden de Duitsers zware verliezen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘recht tegenover het zuiden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsnorth
Fransnord
DuitsNorden
Spaansnorte