Nederlandssprekende
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌnedərlɑntˈsprekəndə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die gewoonlijk de voertaal van Nederland en Vlaanderen spreektHet is geen makkelijk accent, zelfs niet voor Britse acteurs die in de regel goed zijn met accenten. Ik dacht: hoe moet ik als Nederlandssprekende het dan doen?Ik was het enige Nederlandssprekende kind tussen allemaal Franstalige kinderen.
Etymologie
*: "Nederlandssprekend" met de uitgang -e
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek