Moor
mannelijk (de)/mor/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) (verouderd) moslim, met name in Noord-Afrika en het Iberisch schiereiland, heel vaak inDie vierde es coninc van den Moren,[En̄ e]s gheheten die coninc Genors; [Die] .v.ste dat es die coninc Anfors, [En̄ e]s coninc in Getulen [Daer d]e[r] liebaerde vele sculen.Ende ten lesten heeft hi Abdelle, coninc der Moren, weder thuijs ghesent doer zijn soon Lodewijc ende andere princen, ende heeften gheeert ende begavet mit coninclike cleinoden ende costelike presenten ende gaven.
- (antropologie) (historisch) donkere Afrikaan (vaak gekwalificeerd met bijvoeglijk swart)Was een coninghinne daerbi In Etyopen, hiet Candacis, Daer menech swart moor in is, Die sinde up minne ende up houde Van utermaten finen goude Alexandere hondert sticke Voets lanc ende voets dicke Ende enen halven voet breet.Het veel hoofdige Elck is over al geboren, Ellick leeft hier en daer, elck is verr' ende hent, Elck schuylt in 't Nederlandt, en by de swarte Moren, En ellick woont in elck, maer ellick onbekent.
Etymologie
* [2] In de secundaire betekenis van 'persoon, Afrikaan met een donkere huidskleur', is moor afkomstig uit het volkslatijn *mōrus, vergelijk Middelfrans (13e eeuw) (bijvoeglijk) 'donkerbruin', (1573) more ‘neger, zwart persoon’, "moro" 'zwart' (van mensen en paarden). Voor het eerst aangetroffen in 1200 in Alexanders geesten, van Jacob van Maerlant, zie de vindplaats hieronder. Ook metonymisch als moor (in kleine letter) 'hebbende de kleur van een Moor, donkerbruin, zwart' in samenstellingen, bijv. moorkop, kookmoor.
Vertalingen
Engelsmauritanian, moor
Spaansmoro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek