Mispel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɪspəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort loofboom , die inheems is in de Benelux, tot 6 meter hoog kan worden en de gelijknamige vrucht voortbrengt
    Leven op het ritme van de klok, zes keer per dag een kerkdienst, de eeuwenoude abdijtuin met z’n fruitbomen, walnoten, hazelaars, mispels, kastanjes en vlieren, waar buizerds en eekhoorns huizen en waar kauwen en spechten een onderkomen vinden in een oude acacia.
    De eenbessen stonden te verflensen onder een verzengende voorjaarszon. Ze waren ten dode opgeschreven. We besloten er een paar mee te nemen om te proberen ze te behouden in onze volkstuin in Amsterdam. (…) Diezelfde avond al stonden ze op een beschaduwd plekje onder de mispel in onze Amsterdamse volkstuin op Amstelglorie.
    Ik wens me een kleine boom, met eetbare vruchten en flink blad, in de zon en op rijke grond. Ik moet een mispel.
  2. fruit (fruit) vrucht van de mispelboom,
    Je ziet ze weinig, mispels, maar als u ze vindt, let u er dan op dat ze goed zacht zijn.

Etymologie

*via Middelnederlands "mispele" van "mesple", in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • zo rot als een mispel
  • met tijd en stro rijpen de mispels

Vertalingen

Engelsmedlar, medlar
Fransnéflier, nèfle
DuitsMispel, Mispel
Spaansníspero, níspola