Mik

mannelijk (de)/mɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handeling van het ergens op richten
  2. iets waarom gericht wordt
  3. begin van een beweging
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een zwaar soort brood van in linnen zakjes gekookt ongezift roggemeel
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) deel van een maststrijksysteem waarop de mast in gestreken stand rust
    In gestreken stand rust de mast in de mik.
  2. Zuid-Afrikaans Nederlands paal met uitsteeksels waaraan lijken van veroordeelden opgehangen werden
    {{ouds
zelfstandig naamwoord
  1. handel, spul, zooi
    Ik weet niet wat ik met deze mik aanmoet.

Etymologie

*[D] mogelijk een (verkorting) van "mikmak"

Uitdrukkingen

  • kik noch mik gevenlevenloos zijn, geen geluid of beweging maken