Mekkeren

/ˈmɛkərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, dierengeluid (inerg) (dierengeluid) het geluid van een geit maken
    Als ik de geiten in de wei hoor mekkeren weet ik dat ik dichtbij huis ben.
  2. iemand zingend in slaap wiegen
    Zijn moeder moest hem altijd rustig mekkeren, anders bleef hij de hele nacht wakker.
  3. inerg, spottend (inerg) (spottend) zaniken, zeuren
    Zit toch niet zo te mekkeren en eet je eten op!

Etymologie

*(freqtt) van "mekken" , (klanknabootsing) van het geluid dat een geit maakt, in de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van geiten maken’ voor het eerst aangetroffen in 1783