Malen

/malə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
    Ik heb verse koffie gemalen.
  2. ov, voeding (ov) (voeding) (water) uitpompen met een molen of gemaal
  3. ov (ov) kauwen
werkwoord
  1. intr (intr) vervelende gedachten door het hoofd laten gaan, tobben
    Ik heb slecht geslapen, want de hele nacht bleef ik maar malen over de zinnen die Emil in dat gastenboek had geschreven en over de woorden waarmee hij zijn bericht had afgesloten: uit Joegoslavië.
  2. verouderd (verouderd) schilderen
zelfstandig naamwoord
  1. een hoeveelheid die het veelvoud is van het oorspronkelijk genoemde
    We hadden allebei een blikje bier meegenomen dat na de lange hete dag vele malen beter smaakte dan ooit in de kroeg.

Etymologie

*Oorspronkelijk een klasse 6-werkwoord; zie #Middelnederlands.

Uitdrukkingen

  • Niet malen omOnverschillig tegenover iets staan, inclusief de eventuele kwalijke gevolgen ervan (≈ Ergens geen been in zien, Ergens geen graten in zien)

Vertalingen

Engelsmill, grind
Fransmoudre
Duitsmahlen
Spaansmoler