Madeira

mannelijk (de)/maˈdɛːra/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) wijn van het eiland Madeira die door een verhoogd alcoholgehalte en lange rijping bij hoge temperaturen lang houdbaar is
    Snij de champignons in dunne plakjes en bak ze in een koekenpan met een klontje boter op hoog vuur lichtbruin. Bestrooi ze met peper en zout en giet er de madeira bij.

Etymologie

*(geoniem), van "madeira" naar de herkomst van het eiland Madeira