Luidens

/ˈlœydəns/

Betekenis

voorzetsel
  1. zoals dat beschreven is in
    Luidens de statuten is alleen de voorzitter daartoe gemachtigd.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) als van klokgelui
    Hij moest ondragelijk lang wachten, dacht hij; hij schelde nogmaals - en nog eens tot luidens toe - de dienstmaagd kwam buiten adem aanloopen.[http://dbnl.org/tekst/hase001twee01_01/hase001twee01_01_0005.php Betsy Hasebroek], Twee vrouwen. Erven F. Bohn, Haarlem 1840

Etymologie

* van zelfstandig gebruikt "luiden"