Loet
mannelijk/vrouwelijk (de)/lu:t/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) stuk gereedschap met een steel waarmee men schept of krabt
Etymologie
* Ontwikkeld uit Middelnederlands "loete", "loet", uit een oudere Germaanse vorm *lotia (ook geleend in het Frans als "louche" (f) “pollepel”). In de betekenis van ‘werktuig om mee te schrapen of krabben’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1250.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek