Lepelaar
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roeipotigen) , een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
- iemand die of iets dat lepelt
Etymologie
* van lepelen
Vertalingen
Engelsspoonbill
Fransspatule blanche
DuitsLöffler, Löffelreiher
Spaansespátula
Italiaansspatola bianca
Portugeescolhereiro
Chinees白琵鹭
Turksbayağı kaşıkçı
Poolswarzęcha
Zweedsskedstork
Deensskestork
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek