Kris
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wapen) Indonesische, Maleisische of Filipijnse dolk met dubbele, vaak gegolfde "kling" waar mystieke krachten aan worden toegeschreven, dikwijls gedragen als teken van gezag of waardigheidDe kris geldt als een van de heiligdommen (pusaka) van een familie, clan, dynastie of een koninkrijk. Deze krissen worden van vader op zoon doorgegeven.
Etymologie
* Leenwoord uit het Javaans, in de betekenis van ‘langwerpig steekwapen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek