Koppelaar

mannelijk (de)/ˈbɪncə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die probeert om mensen in contact met elkaar te brengen om een huwelijk te bewerkstelligen
    Tineke is een van de 28 single 50-plussers die een boswandeling maken. Het wandelen voor singles is een samenwerking tussen Staatsbosbeheer en datingsite Relatieplanet. De boswachter als koppelaar? Het was ook even wennen voor Koetsier. „Toen ik het hoorde, heb ik wel even gevraagd wat dit precies betekende voor mij.” Normaal leidt hij groepen schoolkinderen rond.NRC Bas Tooms 25 april 2016
  2. eufemisme (eufemisme) iemand die gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht
  3. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen
    Met 'Ali B op volle toeren' gaf de knuffelrapper zijn televisiecarrière vleugels. De rol van koppelaar van rappers en veteranen van het Nederlandse lied, bleek hem op het lijf geschreven. Volkskrant 24 maart 2014

Etymologie

* van koppelen

Vertalingen

Engelsmatchmaker, procurer, procuress
Fransmarieur, entremetteur, marieuse
DuitsHeiratsvermittler, Ehestifter, Heiratsvermittlerin
Spaanscasamentero, casamentera, alcahuete
Portugeescasamenteiro, casamenteira