Kok
mannelijk (de)/kɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) iemand die voedsel bereidt tot een maaltijd
- (beroep) iemand die het bereiden van maaltijden als beroep heeft
zelfstandig naamwoord
- (medisch) (biologie) (informeel) coccus
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘die spijzen toebereidt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelscook, chef
Franscuisinier, cuisinière
DuitsKoch
Spaanscocinero, cocinera
Italiaanscuoco, cuoca
Portugeescozinheiro
Russischповар
Turksaşçı, ahçı
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek