Koekoek

mannelijk (de)/ˈkukuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. koekoeksvogels (koekoeksvogels) bepaald soort vogel, , die zijn jongen door vogels van andere soorten laat grootbrengen
  2. bouwkunde (bouwkunde) kleine dakkapel met een spitse kap
  3. bouwkunde (bouwkunde) keldergat waar het licht doorheen valt
  4. bouwkunde (bouwkunde) glazen kap op bijv. een scheepsdek of dak voor de verlichting en ventilatie van ruimtes die zich eronder bevinden
  5. religie, eufemisme (religie), (eufemisme) duivel
  6. techniek (techniek) koekoeksklok
    De koekoek sloeg één uur.
  7. plantkunde (plantkunde) koekoeksbloem

Etymologie

*van Middelnederlands "coecoec", (klanknabootsing) van de roep van deze vogel; in de betekenis van ‘koekoekachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Dank je de koekoekmij niet gezien
  • Dat haal je de koekoekDat weet ik wel, natuurlijk is dat zo (vaak sarcastisch, waarbij de spreker het feitelijk juist afdoet als onzin)
  • Moge de koekoek je halenVerwensing richting iemand

Vertalingen

Engelscuckoo
Franscoucou, soupirail
DuitsKuckuck
Spaanscuclillo, cuco
Italiaanscuculo, cucù, cuccù
Portugeescuco
Russischкукушка
Chinees杜鹃鸟
Japansカッコウ
Koreaans뻐꾸기
Arabischوَقْواق
Turksguguk
Poolskukułka
Zweedsgök
Deensgøg