Koekoek
mannelijk (de)/ˈkukuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (koekoeksvogels) bepaald soort vogel, , die zijn jongen door vogels van andere soorten laat grootbrengen
- (bouwkunde) kleine dakkapel met een spitse kap
- (bouwkunde) keldergat waar het licht doorheen valt
- (bouwkunde) glazen kap op bijv. een scheepsdek of dak voor de verlichting en ventilatie van ruimtes die zich eronder bevinden
- (religie), (eufemisme) duivel
- (techniek) koekoeksklokDe koekoek sloeg één uur.
- (plantkunde) koekoeksbloem
Etymologie
*van Middelnederlands "coecoec", (klanknabootsing) van de roep van deze vogel; in de betekenis van ‘koekoekachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- Dank je de koekoek — mij niet gezien
- Dat haal je de koekoek — Dat weet ik wel, natuurlijk is dat zo (vaak sarcastisch, waarbij de spreker het feitelijk juist afdoet als onzin)
- Moge de koekoek je halen — Verwensing richting iemand
Vertalingen
Engelscuckoo
Franscoucou, soupirail
DuitsKuckuck
Spaanscuclillo, cuco
Italiaanscuculo, cucù, cuccù
Portugeescuco
Russischкукушка
Chinees杜鹃鸟
Japansカッコウ
Koreaans뻐꾸기
Arabischوَقْواق
Turksguguk
Poolskukułka
Zweedsgök
Deensgøg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek