Kiekendief

mannelijk (de)/ˈkikə(n)ˌdif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. havikachtigen (havikachtigen) benaming voor slanke, middelgrote, valkachtige dagroofvogels met lange staart en vleugels uit de onderfamilie
  2. benaming voor roofvogels uit het geslacht
  3. iemand die honders steelt

Etymologie

*, in de betekenis van ‘roofvogel’ aangetroffen vanaf 1573

Vertalingen

Engelsharrier
Fransbusard
DuitsWeihe
Spaansaguilucho
Italiaansalbanella
Portugeestartaranhão
Russischлунь
Poolsbłotniak
Zweedskärrhök