Karwij

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑrˈwɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) plant uit de schermbloemenfamilie
  2. plantkunde (plantkunde) zaden van de
  3. kruid (kruid) zaden van gebruikt als keukenkruid, sterker, scherper en minder bitter van smaak is dan komijnzaad

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘specerijplant’ voor het eerst aangetroffen in 1351

Vertalingen

Engelscaraway
Franscarvi
DuitsKümmel
Spaansalcarabea, alcarahueya, alcaravea
Italiaanscarvi
Portugeesalcaravia
Chinees葛縷子
Japansキャラウェイ
Koreaans캐러웨이
Arabischكروياء
Poolskminek
Zweedskummin
Deenskommen