Jura

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈjyra/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) geologische tijdperk, tweede periode van het era mesozoïcum, waarin veel nieuwe soorten dinosauriërs ontstonden, van 200 tot 145 miljoen jaar geleden
    In de jura verschenen vogels voor het eerst.
zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) gesteenten gevormd tijdens de tweede periode van het era mesozoïcum
    (…) ontwikkelde zich in koraaleilanden en riffen de kalkrijke jura van het zuiden, (…)
    De fossielen stammen uit de overgangsperiode tussen het trias, dat 240 miljoen jaar geleden eindigde, en het jura, dat 40 miljoen jaar later begon.
    Zooals reeds boven gezegd is, zijn de belangrijkste ijzergebieden: Cleveland-district (Middlesborough), waar het ijzer voorkomt in de jura, evenals in Lotharingen, het Peak gebergte en de Schotsche Laagvlakte.
zelfstandig naamwoord
  1. recht als studie en wetenschap
    Door zijn aanleg bestemd voor de exacte wetenschappen, studeerde hij jura.
  2. verouderd (verouderd) publiekrechtelijk verschuldigde vergoedingen voor ambtelijke dienstverlening
    De Overheid geloofde alleen aanwezig te zijn om de lasten in te vorderen, en van den gemeenen man met executie af te dwingen; de leges en jura in te zakken enz.

Etymologie

*[B]: van Latijn "iura", meervoud van "ius" "recht"

Vertalingen

EngelsJurassic
SpaansJurásico