Jazz

mannelijk (de)/dʒɛːs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) muziekstijl die rond 1900 ontstaan is bij de zwarte bevolking in Amerika, vooral gekenmerkt door syncope en vermenging van ritme en door improvisatie

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘moderne muziek met sterk improvisatie-element’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912

Vertalingen

Spaansjazz