Israëliet
mannelijk (de)/ˌɪsraeˈlit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) joodBij de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 werd dit in twee ministeries voortgezet: een voor de Katholieke Kerk en een voor ‘Hervormde en andere’ kerken. Op deze manier beoogde de staat het religieuze leven te controleren, opdat de kerk nooit meer zo machtig zou worden als in de tijd van voor de Franse Revolutie. De regering stelde ook een ‘Hoofdcommissie tot Zaken der Israëlieten’ in, wiens taak het was de Joodse gemeenschap te doen integreren als volwaardige staatsburgers in het nieuwbakken koninkrijk.De Amsterdamse antropoloog Jaap Timmer, die werkt voor het Van Vollenhoven Instituut in Leiden, ontdekte dit ‘ingebeelde jodendom’, toen hij vorig jaar tijdens veldwerk op Malaita steeds mensen tegenkwam die beweerden Israëliet te zijn. Het bleken er meer dan 3000. De manifestaties van het jodendom zijn veelvuldig. Bij gebedsdiensten in de hoofdstad Honiara gaat vaak een tent mee met een kistje dat het tabernakel voorstelt.
- lid van het Bijbelse volk IsraëlDe grootschalige locatievoorstelling, speciaal gemaakt voor het tiendaagse festival, is eigentijds muziektheater over de Bijbelse figuur Saul de eerste koning der Israëlieten.
Etymologie
*(eponiem) via Latijn "Israelita" van "Ἰσραηλίτης" (Israelítes), op te vatten als afgeleid van Israël ( "ישראל"), de naam die de Bijbelse persoon "Jacob" als stamvader van het Joodse volk kreeg van God (Genesis [https://www.statenvertaling.net/bijbel/gene/32.html 32:28])
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek