Iris

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈirɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
  2. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem

Etymologie

**[2]: via """, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ aangetroffen vanaf 1608

Vertalingen

Engelsiris, iris
Fransiris, iris
DuitsIris, Iris, Schwertlilien
Spaansiris, lirio