Horizon

mannelijk (de)/ˈhoriˌzɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. astronomie (astronomie) denkbeeldige lijn tot waar men het aardoppervlak kan zien en waar het aardoppervlak en de lucht elkaar lijken te raken
    De zon staat in het verre noorden altijd laag aan de horizon.
    Waar komt mijn fascinatie voor lopen vandaan? Omdat ik altijd nieuwsgierig ben naar wat er achter de horizon ligt?
    De volgende dag stond ze ernaar te kijken, terwijl de zon achter haar raam nog slechts een smalle streep aan de horizon was.

Etymologie

*van Latijn """, in de betekenis van ‘gezichtseinder’ aangetroffen vanaf 1598; verder te herleiden tot "ὁρίζων" (horízoon), waarvan de betekenis ook al "gezichtseinder" was

Vertalingen

Engelshorizon
Franshorizon
DuitsHorizont
Spaanshorizonte
Italiaansorizzonte
Portugeeshorizonte
Russischгоризонт
Chinees地平線
Japans地平線
Koreaans수평선
Arabischخط الأفق
Turksufuk
Poolshoryzont
Zweedshorisont
Deenshorisont