Hoek

mannelijk (de)/ɦuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  2. een plaats waar twee muren samenkomen in bijvoorbeeld een kamer of op straat
    'Nou, behalve dat ik haar weleens in haar kont heb geknepen en haar daarna in een hoek van de werkplaats staand heb geneukt in ruil voor een promotie, kan ik niets bedenken.
    Op een sofa in de hoek van de kamer herken ik de hoofden van Gijs en Annet die net boven de rugleuning uitsteken.
    Het is Lauren die voorzichtig haar gezicht om de hoek van deur buigt, alsof ze eigenlijk niet binnen wil komen.
  3. sport (sport) (boksen:) stoot die van opzij wordt toegediend, hoekstoot
  4. plek, plaats (bijv. koffiehoek)
    Uitvoerig sprak hij over zijn plannen om ooit arts te worden, maar nu was hij nog vooral de ultieme vrije hippie die alle hoeken van de wereld wilde verkennen.
  5. bepaalde categorie mensen of zaken

Etymologie

* In de betekenis van ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’ voor het eerst aangetroffen in 1177

Uitdrukkingen

  • om de hoek
  • De wind waait uit een anderen ( of een verkeerden) hoekStoett-2583 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2710.phpv2583 www.dbnl.org]
  • Uit de hoek komen ( of schieten)Stoett-909 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0921.phpv909 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsangle, corner
Fransangle, coin
DuitsWinkel, Ecke
Spaansángulo, rincón, esquina
Italiaansangolo
Poolskąt, róg
Zweedshörn