Havik
mannelijk (de)/ˈhavɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (havikachtigen) , een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagtEr vloog een havik over.
- (figuurlijk), (politiek) iemand die graag een oorlog wil uitlokkenDe haviken in het Witte Huis.
Etymologie
* In de betekenis van ‘roofvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Vertalingen
Engelsgoshawk, hawk
Fransautour, faucon
DuitsHabicht, Habicht
Spaansazor, gavilán, halcón
Italiaansastore
Russischястреб-тетеревятник, ястреб
Japans鷹
Koreaans참매
Turksçakır kuşu
Poolsjastrząb gołębiarz
Zweedsduvhök
Deensduehøg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek