Harer

/ˈharər/

Betekenis

voornaamwoord
  1. verouderd (verouderd) van zij en ze als vrouwelijk enkelvoud
    God, God! ontferm u harer, keer het kwaad van haar af indien zij te zwak is er weerstand aan te bieden.
  2. verouderd (verouderd) van zij en ze als meervoud
    Nu toch rangschikken velen de huisvrouw onder de beroepsloozen, dat wil zeggen de onderhoudenen, en dit terwijl het meerendeel harer een lange dagtaak en de gehele persoonlijkheid eischende plichten heeft.
voornaamwoord
  1. verouderd (verouderd) (f) (van) haar
    „De captain van onze mooie provincie", aldus verwelkomde ceremoniemeester Arie Kranendonk harer majesteits hoogste vertegenwoordiger in de provincie.
  2. verouderd (verouderd) (van) haar
    Wie bij Jacob het werk harer of zijner handen ziet, zal dat waarschijnlijk blijven koesteren.
  3. verouderd (verouderd) (f) (van hun, (van) haar (meervoud)
    (…) dat hij ongherust is in velen die hij daertoe siet gaen vanweghen harer dissolutie in de cleedinghen ende andere dierghelijcke onstichticheijt.
  4. verouderd (verouderd) (van hun, (van) haar (meervoud)
    Het is zeker waar dat het in het traditionele China gebruikelijk was hele families te straffen zoniet uit te roeien voor werkelijke of vermeende misdaden van een harer leden;

Etymologie

*afgeleid van haar