Halen

/ˈhalə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
    Hij is even vrienden van het station aan het halen.
    De andere kinderen zochten hout, zetten tenten op en haalden water.
  2. bereiken van een doel
    Al snel zag ik in dat ik op deze manier Canada nooit zou halen, maar vooralsnog genoot ik van elke bloem.

Etymologie

:: hale, : holen, (, Oudsaksisch: halon), : helje (Oudfries: halia)

Uitdrukkingen

  • Aan de haal gaanergens mee vandoor gaan
  • Bakzeil halenmoeten toegeven
  • Dat haal je de koekoek.dat zal wel waar zijn
  • De kastanjes voor iemand uit het vuur halenIemand anders het gevaarlijke werk laten doen
  • De luizenkam erdoor halen.Ongewenste zaken verwijderen.
  • Door een ringetje halen (kunnen)er goed verzorgd uit zien
  • Een boterbriefje halen
  • Een streep door de rekening halende schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben

Vertalingen

Engelsfetch, go get
Fransaller chercher
Duitsbekommen, erreichen, holen
Deenshente