Haars

onzijdig (het)/haars/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. van haar (zelfstandig naamwoord)"
    Het is hier een kapperswinkel, eene tentoonstelling, een museum; het is hier de weelde der negentiende eeuw in al hare oververfijning en de afgoderij des haars in al hare dweepzucht.
    Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding;
voornaamwoord
  1. verouderd (verouderd) van zij en ze als vrouwelijk enkelvoud
    En de wereld is gered, als een iegeIijk maar gelooven wil, dat de Christus om haars wil leed en streed.
  2. verouderd (verouderd) van zij en ze als meervoud
    (…) en is er naast de vroegere, bijna uitsluitend praktische richting eene zuiver theoretische ontstaan, die de talen niet als bloote middelen ter verkrijging van andere kennis aanmerkt; maar ze om haars zelfs wille beoefent, en ze als voorwerpen van wetenschappelijk onderzoek beschouwt, (…)
voornaamwoord
  1. verouderd (verouderd) (m) (van) haar
    En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?
  2. verouderd (verouderd) (n) (van) haar
    zij heeft hier in de laatste jaren haars levens vaak dagen van boete en gebed door gebracht in het vertrek, dat ons wordt getoond.
  3. verouderd (verouderd) (m) (van) hun, (van) haar (meervoud)
    Mario Lamberti maakte een buiging; de dames beantwoordden die en gingen haars weegs.
  4. verouderd (verouderd) (n) (van) hun, (van) haar (meervoud)
    Wat zyn ze Zalig, die uit dat getal van blinden,De Heere Jezus op den weg haars levens vinden, (…)

Etymologie

Categorie:Genitief in het Nederlands

Uitdrukkingen

  • [1],[3] haars ondanks
  • [1],[3] haars weegs
  • [2],[4] in het zweet haars aanschijns
  • [2],[4] haars inziens