Grondel
mannelijk (de)/ˈɣrɔndəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) benaming voor vissen uit de familie , bodembewonende, meestal roofzuchtige visjes met een brede, verzonken kop, een felgekleurd lichaam, een tweedelige rugvin en geen zijlijn en de buikvinnen zijn samengevoegd als een schijfvormige zuignap die zich vastklampt aan rotsen en koraalriffen
- bepaald soort vis, , die algemeen in de Benelux voorkomt{{ouds
Etymologie
*van Middelnederlands """ / "grondele" / "grondelinc", verkleinwoord bij grond (zie aldaar), in de betekenis van ‘riviergrondel’ aangetroffen vanaf 1440; naar het gedrag van de vissen die zich voornamelijk bij de bodem van het water ophouden, vergelijk "Gründel", "Grundel", "gryndle" en "grindeltsje"
Vertalingen
Engelsgoby
Fransgobie
DuitsGrundel
Spaansgóbido
Italiaansghiozzo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek