Gieten
/ˈɣitə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een vloeistof vallend laten vloeienBrons werd in een vorm gegoten om een standbeeld van hem te maken.Eindelijk nam ze een klein aarden kruikje, goot de drank erin, deed er een kurk op en zei: 'Ieder uur tien druppels, drie dagen lang en je paard is weer gezond.'Deze Terminus bestond uit een paar dikke palen die ik uitgeput omhelsde. Het voelde wel een beetje raar en leeg. Toch was ik ook opgelucht dat het voorbij was en trok een mini-whiskeyflesje open. Voordat ik dit in één teug naar binnen goot, sloeg ik een kruis en wees in de lucht naar een denkbeeldige maan.
- (onpr), (meteorologie), (informeel) hevig regenen, stortregenenHet giet buiten!Het goot en hij werd kleddernat.
- (ov), (materiaalkunde), (industrie) een stof terwijl deze nog in vloeibare toestand is in een bepaalde gewenste vorm laten stromen, bijv. in de metallurgieHet metaal wordt gegoten.
Etymologie
*(erfwoord), te herleiden tot *ǵheud-. In de betekenis van ‘schenken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220.
Vertalingen
Engelspour, pour
Duitsgießen, gießen
Spaansverter
Poolslać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek