Gieten

/ˈɣitə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een vloeistof vallend laten vloeien
    Brons werd in een vorm gegoten om een standbeeld van hem te maken.
    Eindelijk nam ze een klein aarden kruikje, goot de drank erin, deed er een kurk op en zei: 'Ieder uur tien druppels, drie dagen lang en je paard is weer gezond.'
    Deze Terminus bestond uit een paar dikke palen die ik uitgeput omhelsde. Het voelde wel een beetje raar en leeg. Toch was ik ook opgelucht dat het voorbij was en trok een mini-whiskeyflesje open. Voordat ik dit in één teug naar binnen goot, sloeg ik een kruis en wees in de lucht naar een denkbeeldige maan.
  2. onpr, meteorologie, informeel (onpr), (meteorologie), (informeel) hevig regenen, stortregenen
    Het giet buiten!
    Het goot en hij werd kleddernat.
  3. ov, materiaalkunde, industrie (ov), (materiaalkunde), (industrie) een stof terwijl deze nog in vloeibare toestand is in een bepaalde gewenste vorm laten stromen, bijv. in de metallurgie
    Het metaal wordt gegoten.

Etymologie

*(erfwoord), te herleiden tot *ǵheud-. In de betekenis van ‘schenken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220.

Vertalingen

Engelspour, pour
Duitsgießen, gießen
Spaansverter
Poolslać