Gaffel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɑfəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) meer of minder van de mast schuin omhoog uitstaand rondhout, om de bovenkant van een zeil (het bovenlijk) uit te houden
- (gereedschap) werktuig, met een steel die het ene einde in twee armen of tanden uitloopt
- het gewei van een tweejarig hert of ree met twee uiteinden
- (heraldiek) een element in een Y-vorm, gelijkend naar een pallium
- benaming van verschillende voorwerpen die de vorm van een gaffel hebben
Etymologie
* In de betekenis van ‘tweetandige stok, vork’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Vertalingen
Engelsgaff, pitchfork
Franscorne de vergue, fourche
DuitsGaffel, Gabel, Gabel
Spaansbotavara
Russischгафель
Poolsgafel
Zweedsgaffel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek