Frees

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) machine die door frezen (met een ronddraaiende beitel) materiaal verwijdert
  2. deel van die machine die de eigenlijk bewerking uitvoert (de beitel)
  3. landbouw (landbouw) machine die grond door elkaar roert, maar zonder kerende bewerking
  4. geplooide kraag, fraas

Etymologie

* In de betekenis van ‘werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1860

Vertalingen

Spaansfresa